
Jurisprudentie
BH2218
Datum uitspraak2009-01-14
Datum gepubliceerd2009-02-10
RechtsgebiedPersonen-en familierecht
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamGerechtshof 's-Gravenhage
Zaaknummers105.012.137/01
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2009-02-10
RechtsgebiedPersonen-en familierecht
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamGerechtshof 's-Gravenhage
Zaaknummers105.012.137/01
Statusgepubliceerd
Indicatie
Verbreking van gezamenlijk gezag na scheiding. Ouders hebben een onwerkbare situatie gecreëerd. Ouder met gezag op afstand hier geen optie vanwege eigen aandeel vader in het creëren van de onwerkbare situatie, die onaanvaardbaar risico voor het kind oplevert.
Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE
Familiesector
Uitspraak : 14 januari 2009
Zaaknummer : 105.012.137/01
Rekestnummer : 1573-R-07
Rekestnr. rechtbank : F2 RK 07-961
[appellant],
wonende te [woonplaats]
verzoeker in hoger beroep,
hierna te noemen: de vader,
advocaat mr. P.H. Ruys,
tegen
[verweerder],
wonende te [woonplaats]
verweer¬ster in hoger beroep,
hierna te noemen: de moeder,
advocaat mr. P.H.A. de Boer.
PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP
De vader is op 1 november 2007 in hoger beroep gekomen van de beschikking van de rechtbank Rotterdam van 2 augustus 2007.
De moeder heeft op 13 december 2007 een verweerschrift ingediend.
Van de zijde van de vader zijn bij het hof op 21 november 2007 en 4 december 2007 aanvullende stukken ingekomen.
Van de zijde van de moeder zijn bij het hof op 1 december 2008 aanvullende stukken ingekomen.
Op 3 december 2008 is de zaak mondeling behandeld. Verschenen zijn: de vader en de moeder, bijgestaan door hun respectieve advocaten. De raad voor de kinderbescherming, vestiging [gemeente], is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet verschenen. De aanwezigen hebben het woord gevoerd.
HET PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN
Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking.
Het hof gaat uit van de volgende feiten:
De ouders hebben een affectieve relatie gehad.
Uit deze relatie is in 1999 geboren de minderjarige.
De vader heeft [de minderjarige] in 1999 erkend.
De ouders zijn in 2000 gehuwd in [gemeente].
Bij beschikking van 18 november 2002 van de rechtbank Rotterdam heeft de rechtbank tussen de ouders de echtscheiding uitgesproken en bepaald dat de gewone verblijfplaats van [de minderjarige] bij de moeder is. De echtscheidingsbeschikking is op 3 juni 2003 in de registers voor de burgerlijke stand ingeschreven.
Bij de bestreden beschikking is, uitvoerbaar bij voorraad, het gezamenlijk gezag over [de minderjarige] beëindigd en is bepaald dat het gezag over [de minderjarige] voortaan alleen aan de moeder toekomt.
Het hof gaat voorts uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht.
BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP
1. In geschil is het gezag over [de minderjarige].
2. De vader verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen, en opnieuw beschikkende, het verzoek van de moeder tot beëindiging van het gezamenlijk gezag af te wijzen, althans een beslissing te nemen zoals het hof vermeent te behoren.
3. De moeder bestrijdt zijn beroep en verzoekt de bestreden beschikking te bekrachtigen en het verzoek van de vader af te wijzen.
4. Ter toelichting op zijn hoger beroep stelt de vader dat de rechtbank ten onrechte van oordeel is dat hij door het structureel lastig vallen van de moeder de uitvoering van het gezamenlijk gezag zodanig blijft frustreren dat voortzetting van de huidige gezagsvoorziening niet in het belang van [de minderjarige] is. De vader voert daartoe aan dat voor zover er al sprake zou zijn van het ontbreken van een goede communicatie tussen de ouders, dit thans niet heeft geleid tot problemen aan de zijde van [de minderjarige]. Het huidige contactverbod staat volgens de vader de uitoefening van het gezamenlijk gezag niet in de weg. Voorts betwist de vader dat hij de moeder heeft lastig gevallen.
5. De moeder stelt dat het onmogelijk is om uitvoering te geven aan het gezamenlijk gezag door de houding van de vader. Volgens haar is communicatie tussen de ouders onmogelijk. Zij is zeer bang voor hem. Volgens haar heeft de vader haar meerdere malen lastig gevallen en bedreigd. [de minderjarige] heeft volgens de moeder gevraagd om een bodyguard om hem te beveiligen.
6. Het hof is op grond van de overgelegde stukken en het verhandelde ter terechtzitting gebleken dat de ouders thans een zodanige situatie hebben gecreëerd dat zij in feite niet in staat zijn tot een behoorlijke gezamenlijke gezagsuitoefening. Tussen partijen is geen communicatie mogelijk, mede door het aan de vader opgelegde straat- en contactverbod. Bij vonnis van 25 februari 2003 en 23 augustus 2006 heeft de voorzieningenrechter in de rechtbank Rotterdam de vader een straat- en contactverbod opgelegd. De vader heeft bij de voorzieningenrechter verzocht om te worden ontheven van laatstgenoemde veroordeling. Bij vonnis van 27 november 2008 heeft de voorzieningenrechter in de rechtbank Rotterdam het vonnis van 23 augustus 2006 bevestigd, waarbij als aanvulling bepaald is dat de in het vonnis genoemde verboden nog gelden voor de duur van twee jaren. Tevens is bepaald dat de in het vonnis van 23 augustus 2006 genoemde dwangsom ook geldt voor het per post in contact treden van de vader met de moeder. Voorts is het hof gebleken dat de moeder zeer bang voor de vader is. De bij herhaling uitgesproken contact- en straatverboden maken duidelijk dat er in de tussen de ouders bestaande ernstige problemen zeker ook sprake is van een aandeel van de vader in het ontstaan en/of voortduren daarvan. Daardoor blokkeert de vader de optie een vader met gezag op (enige) afstand te zijn. Daartoe is tenminste nodig dat de vader zelf de nodige afstand bewaart. De ouders hebben ieder zeer uiteenlopende opvattingen over de wijze waarop gebeurtenissen in het verleden hebben plaatsgevonden. Het hof acht het onder deze omstandigheden aannemelijk dat voortzetting van het gezamenlijk gezag een onaanvaardbaar risico met zich meebrengt dat [de minderjarige] klem of verloren raakt tussen de vader en de moeder. Het feit dat dit onaanvaardbaar risico zich thans nog niet heeft verwezenlijk, betekent nog niet dat dit risico er thans niet is. Het hof acht het ook, gelet op de houding van partijen ten opzichte van elkaar, voor de toekomst niet waarschijnlijk dat er binnen afzienbare tijd voldoende verbetering in de communicatie tussen de vader en de moeder zal optreden. Het hof is op grond van het vorenstaande van oordeel dat in het belang van [de minderjarige] het gezamenlijk gezag beëindigd dient te worden. Nu de vader overigens heeft gesteld dat de moeder [de minderjarige] goed opvoedt, zal het hof de beslissing van de rechtbank om de moeder alleen te belasten met het gezag dan ook bekrachtigen.
7. Mitsdien dient als volgt te worden beslist.
BESLISSING OP HET HOGER BEROEP
Het hof:
bekrachtigt de bestreden beschikking;
wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. Van Leuven, Kamminga en Van der Burght, bijgestaan door mr. De Klerk als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 14 januari 2009.